Wegrijden

WAT HOE WAAROM
1. Kijken. Rondom de auto. Controleer of je overig verkeer voor moet laten gaan (art. 54 RW).
2. Koppelingspedaal intrappen. Geheel en vlot met de bal van de linkervoet. Deze handeling maakt het schakelen mogelijk doordat je een onderbreking maakt tussen de motor en de versnellingsbak.
3. Hand naar de versnellingspook. Rechterhand. Om op het juiste moment in te kunnen schakelen.
4. Inschakelen. In de 1e versnelling of de achteruit versnelling. Hiermee maak je mogelijk dat de motor straks zijn aandrijfkracht kwijt kan op de wielen.
5. Hand naar de handrem. Rechterhand, vlot.
6. Handrem eraf. Handrem iets omhoog, knopje indrukken, handrem geheel omlaag.
7. Hand naar het stuur. Rechterhand, vlot. Je neemt weer de ideale positie in met je handen op het stuur.
8. Koppelingspedaal naar het aangrijpingspunt laten komen. Met de linkervoet, geleidelijk. Altijd geleidelijk werken met de koppeling, want de koppelingsplaten moeten geleidelijk aangrijpen anders slaat de motor af.
9. Iets gas geven. Met de rechtervoet, geleidelijk. Om het aangrijpen van de koppelingsplaten op te vangen.
10. Kijken. Voor het wegrijden vanaf de rechterzijde van de weg:
• Binnenspiegel, voor, linker buitenspiegel en over de linkerschouder.
Als een laatste controle voordat je gaat wegrijden.
Voor het wegrijden vanaf de linkerzijde van de weg:
• Binnenspiegel, voor, rechter buitenspiegel en over de rechterschouder.
11. Richtingaanwijzer aan. Naar links of rechts. Je maakt hiermee kenbaar kenbaar aan de overige weggebruikers dat je gaat wegrijden.
12. Koppelingspedaal geheel op laten komen. Geleidelijk en direct linkervoet naast het koppelingspedaal plaatsen. Het koppelingspedaal even vasthouden op het aangrijpingspunt en dan rustig omhoog laten komen om de motor de gelegenheid te geven zijn kracht over te brengen op de wielen. Je plaatst je voet ernaast om overmatige slijtage aan de onderdelen van de koppeling te voorkomen.
13. Kijken. Binnenspiegel en buitenspiegel(s). Nacontrole.
14. Snelheid aanpassen. Aan overige verkeer. Probeer vlot mee te rijden met het verkeer. Daarbij natuurlijk wel de maximum snelheid hanteren en wees een goed anticiperende bestuurder.
15. Richtingaanwijzer uit.

Terug naar boven.

Stoppen

WAT HOE WAAROM
1. Kijken. Voor de auto. Plaats bepalen om te stoppen.
• Mag ik hier wel stoppen?
Binnenspiegel. Noot: bij het stoppen langs de kant van de rijbaan dient ook over de rechterschouder gekeken te worden, en een signaal met de richting- aanwijzer te worden gegeven. Informatie opdoen omtrent de situatie achter je.
2. Gas los. Rechtervoet.
3. Geef een rem signaal. Rempedaal even licht aantikken. Je maakt je voornemen tot stoppen op deze manier kenbaar aan het achteropkomend verkeer.
4. Kijken. Binnenspiegel. Hoe reageert het verkeer achter je?
5. Door remmen. Rem druk geleidelijk opvoeren.
6. Tijdens vertraging regelmatig blijven kijken. Binnenspiegel. Hoe is de situatie achter je.
7. Koppelingspedaal intrappen. Vlot en geheel met de bal van de linkervoet. Juist voor het bereiken van het stationaire toerental. Om te voorkomen dat de motor afslaat.
8. Net voor stilstand ietwat rem druk verminderen. Rempedaal geleidelijk omhoog laten komen. Voorkom dat de auto bij iedere stop stuitert. Dit is ook wat comfortabeler voor jezelf en je passagiers.
9. Bij korte stop direct in 1 schakelen. Zoals reeds besproken (H.A. wegrijden).
10. Bij langere stop neutraal.
11. Evt. motor afzetten. Zoals reeds besproken (H.A. motor afzetten).

Terug naar boven.

Opschakelen

WAT HOE WAAROM
1. Kijken. Binnenspiegel en linker buitenspiegel. Controle overig verkeer.
2. Gas los/ koppeling in. Vlot en nagenoeg gelijk. Je maakt het nu mogelijk om over te schakelen.
3. Hand naar de pook. Rechterhand, vlot. Met je rechterhand ga je schakelen.
4. Schakelen. Naar de gewenste versnelling. Op deze wijze wordt een optimale kracht overbrenging van de motor naar de wielen verkregen.
5. Hand terug naar stuur. Rechterhand, vlot. Je neemt weer zo snel mogelijk de ideale stuurpositie in.
6. Koppeling naar het aangrijpingspunt. Linkervoet, geleidelijk. Ter voorkoming van het afslaan van de motor.
7. Iets gas geven. Met de rechtervoet, geleidelijk. Om de aangrijping van de koppeling op te vangen.
8. Koppelingspedaal geheel op laten komen en voet van de koppeling. Met de linkervoet, geleidelijk. Zodra het pedaal geheel op is plaats je je voet ernaast. Te lang met de voet op of boven het koppelingspedaal rijden geeft onnodige slijtage.
9. Kijken. Binnenspiegel en linker- buitenspiegel. Controle of je je snelheid kunt vermeerderen zonder het overige verkeer te hinderen.

Terug naar boven.

Terugschakelen

WAT HOE WAAROM
1. Kijken. Binnenspiegel en linker buitenspiegel. Informatie opdoen over de situatie achter je.
2. Gas loslaten. Vlot, met rechtervoet. Om te kunnen vertragen.
3. Eventueel remmen . Geleidelijk met de rechtervoet. Om vlot te kunnen vertragen.
4. Koppelingspedaal intrappen. Vlot en geheel met de bal van de rechtervoet. Juist voor het bereiken van het stationaire toerental. Je maakt het met deze handeling mogelijk om straks te schakelen.
5. Hand naar de versnellingspook. Rechterhand, vlot. Om straks op het juiste tijdstip in te kunnen schakelen.
6. Schakelen. Naar de gewenste versnelling. Om de juiste versnelling bij een bepaalde snelheid te verkrijgen.
7. Hand terug naar het stuur. Rechterhand, vlot. Je neemt weer de ideale stuurpositie in met beide handen op het stuur.
8. Koppelingspedaal naar het aangrijpingspunt laten komen. Met de linkervoet, geleidelijk. Koppelingsplaten moeten geleidelijk naar elkaar toe worden gebracht, anders kan de motor z’n kracht niet geleidelijk kwijt op de wielen en slaat de motor af.
9. Iets gas geven. Met de rechtervoet, geleidelijk. Om het aangrijpen van de koppelingsplaten op te vangen.
10. Koppelingspedaal geheel op laten komen. Linkervoet, geleidelijk. Voet naast pedaal plaatsen. Denk aan de overmatige slijtage van de koppelingsonderdelen.
11. Kijken. Binnenspiegel, linker buitenspiegel. Informatie opdoen over de situatie achter je. Controle of je snelheid kunt gaan vermeerderen zonder te hinderen.

Terug naar boven.

Sturen / Stuurtechniek

WAT HOE WAAROM
1. Plaats van de handen op het stuur. Ongeveer kwart voor drie, waarbij de duimen op het stuur liggen. Dit is de meest ideale positie om snel in te kunnen grijpen bij onverwachte situaties:
– plotselinge gladheid.
– auto in de slip.
– klapband.
– uitwijkmanoeuvre.
– enz.
2. Methodes om te sturen
A. Doorgeefmethode. (deze methode verdient de voorkeur). Rechtsaf: Linkerhand duwt het stuur naar rechts (= boven). Rechterhand schuift naar boven. Rechterhand trekt het stuur naar rechts (= onder). Linkerhand schuit naar onder. Beste methode om nauwkeurig te kunnen sturen.
Linksaf: Rechterhand duwt het stuur naar links (= boven). Linkerhand schuift naar boven. Linkerhand trekt het stuur naar links (= onder). Rechterhand schuift naar onder.
Eventueel herhalen al naar gelang de hoeveelheid die gestuurd moet worden.
B. Over pak methode. Rechtsaf: Linkerhand stuurt naar rechts. Rechterhand gaat over de linkerhand naar linkerzijde van het stuur en trekt het stuur naar rechts, terwijl de linkerhand dan weer terug gaat onder de rechterhand door. Linkerhand stuurt weer naar rechts en rechterhand pakt weer over enz.
Linksaf: Rechterhand stuurt naar links. Linkerhand gaat over de rechterhand naar rechterzijde van het stuur en trekt het stuur naar links, terwijl de rechterhand dan weer terug gaat onder de linkerhand door enz.
Eventueel herhalen al naar gelang de hoeveelheid die gestuurd moet worden.
C. Terugsturen. Stuur met beide handen begeleiden. Bij het normale bochtenwerk kunnen we het stuur rustig door de handen laten glijden, wel contact met het stuur houden.
3. Kijken. Naar links / naar rechts. Voor je gaat sturen, overtuig je ervan of dit kan zonder hinderen of gevaar. Kijk ook naar de kant waar je heen wil, want waar je naar kijkt, ga je naar toe.

Terug naar boven.

Remmen / Remtechniek / Verkeersstop

WAT HOE WAAROM
Verkeersstop uit noodzaak. Bijvoorbeeld:
– stoppen voor V.O.P
– stoppen voor verkeerslicht.
– stoppen voor overgang.
– stoppen om voorrang te verlenen.
– enz.
De noodzaak van het verkeer brengt dit met zich mee.
1. Kijken. Voor: Kan ik mijn auto op tijd tot stilstand brengen (art. 19 RW).
Binnenspiegel: Informatie opdoen over de situatie achter je.
2. Remsignaal. Rempedaal licht aantikken. Hiermee maak je kenbaar dat je moet gaan stoppen.
3. Kijken. Binnenspiegel. Reageren de weggebruikers achter mij op mijn teken?
4. Door remmen. Geleidelijk rem druk opvoeren. Begin op tijd te remmen, zodat de auto vloeiend tot stilstand komt.
5. Koppelingspedaal intrappen. Vlot en geheel met linkervoet. Juist voor het bereiken van het stationaire toerental. Hiermee voorkom je dat de auto afslaat.
6. Net voor stilstand iets rem druk verminderen. Rechtervoet laat de rem geleidelijk iets los. Auto komt vloeiend tot stilstand. Niet alleen comfortabeler voor jezelf maar ook voor je passagiers.