Voertuigcontrole

1. Banden: Profiel, beschadigingen, niet slap (± 2 bar), oneffenheden (bobbels), scherpe voorwerpen (steentjes) etc. Ventieldopjes: geen stof.
2. Remmen: Remvloeistof, remlichten, rem intrappen om na te gaan dat de rem niet sponzig aanvoelt.
3. Accu: Klemmen vast om de polen, polen niet geoxideerd, staat de accu vast.
4. Verlichting: Groot licht, gedimd licht, richtingaanwijzer, remlichten, kentekenplaat verlichting en de achteruitrijlichten.
5. Oliepeil: Door middel van peilstok. Peilstok eruit halen, schoonvegen, weer plaatsen, opnieuw eruit halen. Peilstok horizontaal houden en controleren. Moet tussen min en max staan.
6. Koelvloeistof: Vloeistofpeil controleren, alsmede visuele controle op eventuele lekkages bij de slangen.
7. Ruitenwisser-vloeistof.
Voor wat betreft veiligheid: – banden- verlichting- schone ruiten- spiegels
– ruitenwissers
– grote beschadigingen
– remmen etc.
* Buiten controleren: Motorkap en kofferdeksel goed dicht, let ook op een eventueel lesbordje.
* Binnen controleren: Geen zware voorwerpen op de hoedenplank of onder de zitting van de stoelen die bij het remmen onder de pedalen kunnen komen.