Hellingproef 1
| WAT | HOE | WAAROM |
| Stoppen op een helling is gelijk aan stoppen op de vlakke weg met dien verstande dat: | ||
| 1. Koppelingspedaal ingetrapt houden (tenzij voor langere tijd wordt gestopt). | Linkervoet. | Stoppen helling op: Eerder intrappen i.v.m. snel snelheid verlies. Stoppen helling af: Later intrappen vanwege hogere snelheid dan helling op. |
| 2. De voetrem blijft ingetrapt. | Rechtervoet, geheel. | Dit voorkomt dat de auto achteruit rolt, voordat de handrem is aangetrokken. |
| 3. Handrem erop (afhankelijk van hoe steil de helling is, kan ook zo direct weer weggereden worden zonder handrem). | Met rechterhand: – knopje induwen. – handrem omhoog. – knopje loslaten. |
Je zorgt ervoor dat de auto op zijn plaats blijft als de voetrem losgelaten wordt. |
| 4. Voetrem los. | Geleidelijk en controleer of de auto blijft staan. | De handrem heeft de taak van de voetrem overgenomen. Let wel: de handrem remt 2 wielen, de voetrem 4. Geef de auto even de tijd om die kracht te verdelen, daarom geleidelijk de rem los. |
| – Parkeren de helling op. | Voorwielen naar links insturen (van trottoir af). | Voorkomt dat de auto naar achteren rolt. |
| – Parkeren de helling af. | Voorwielen naar rechts insturen (naar trottoir toe). | Voorkomt dat de auto naar voren rolt. |
Hellingproef 2
| WAT | HOE | WAAROM |
| Stoppen op een helling (afwaarts) is gelijk aan stoppen op de vlakke weg met dien verstande dat: | ||
| 1. Steviger remmen. | Rechtervoet. | Omdat de auto schuin naar beneden rolt speelt niet alleen de aandrijfkracht een rol, maar ook moet je rekening houden met de schuinte van de helling. |
| 2. Koppeling intrappen. | Linker voet, kan iets later dan op de vlakke weg. | Om zoveel mogelijk gebruik te maken van het remmend vermogen van de motor. |
| 3. Handrem erop. | Zoals reeds besproken. | De handrem heeft de taak van de voetrem overgenomen. Let wel: de handrem remt 2 wielen, de voetrem remt 4 wielen. Geef de auto even de tijd om die kracht te verdelen, daarom geleidelijk de rem los. |
| 4. Voetrem los. | Geleidelijk controleer of de auto stil blijft staan. |
Hellingproef 3
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Stoppen aan de rechterzijde van de rijbaan. | Zoals reeds besproken (H.A. stoppen). | |
| 2. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. | Kijk of je het overige verkeer voor moet laten gaan (art. 54 RW). |
| 3. Koppelingspedaal intrappen. | Vlot en geheel met de bal van de rechtervoet. | |
| 4. Hand naar de versnellingspook. | Rechterhand, vlot. | Als voorbereiding op het inschakelen. |
| 5. 1e versnelling inschakelen. | ||
| 6. Hand naar de handrem. | Rechterhand, vlot, duim op het knopje. | Als voorbereiding op het bedienen van de handrem. |
| 7. Koppelingspedaal naar het aangrijpingspunt. | Geleidelijk. | Op deze wijze wordt voorkomen dat de motor afslaat en dat de auto straks achteruit rolt. |
| 8. Kijken vóór het wegrijden. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. | Kijk of je het overige verkeer voor moet laten gaan (art. 54 RW). |
| 9. Geef richting aan. | Naar links. | Kenbaar maken dat je gaat wegrijden. |
| 10. Handrem eraf. | Handen iets omhoog, knopje indrukken, handrem geheel omlaag. | |
| 11. Rechterhand terug naar het stuur. | Vlot. | Je neemt weer de ideale stuurhouding aan. |
| 12. Iets gas geven. | Geleidelijk met de rechtervoet. | Op deze wijze verhoog je het toerental van de motor waardoor deze niet afslaat bij het wegrijden. |
| 13. Koppelingspedaal geheel op laten komen. | Geleidelijk. | Het rijden met een slippende koppeling dient slechts kort te duren in verband met slijtage van de koppeling. |
| 14. Kijken. | Binnenspiegel en beide buitenspiegels. | Nacontrole, kan ik veilig mijn snelheid aanpassen. |
| 15. Snelheid aanpassen. | Aan de verkeerssituatie. | |
| 16. Richtingaanwijzer uit. |
Hellingproef 4
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Stoppen aan de rechterzijde van de rijbaan. | Zoals reeds besproken (H.A. stoppen). | |
| 2. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. | Kijk of je het overige verkeer voor moet laten gaan (art. 54 RW). |
| 3. Koppelingspedaal intrappen. | Vlot en geheel met de bal van de linkervoet. | |
| 4. Hand naar de versnellingspook. | Rechterhand, vlot. | Als voorbereiding op het inschakelen. |
| 5. Achteruit versnelling inschakelen. | I Aanvankelijk van het merk en type auto. | |
| 6. Hand naar de handrem. | Rechterhand, vlot, duim op het knopje. | Als voorbereiding op het bedienen van de handrem. |
| 7. Koppelingspedaal naar het aangrijpingspunt. | Geleidelijk. | Op deze wijze wordt voorkomen dat de motor afslaat en dat de auto straks vooruit rolt. |
| 8. Kijken vóór het wegrijden. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. | Kijk of je het overige verkeer voor moet laten gaan (art. 54 RW). |
| 9. Geef richting aan. | Naar links. | Kenbaar maken dat je gaat wegrijden. |
| 10. Handrem eraf. | Handrem iets omhoog, knopje indrukken, handrem geheel omlaag. | |
| 11. Rechterhand terug naar het stuur. | Vlot. | Je neemt weer de ideale stuurhouding aan. |
| 12. Koppelingspedaal geheel op laten komen. | Geleidelijk. | Het rijden met een slippende koppeling dient slechts kort te duren in verband met slijtage van de koppeling. |
| 13. Kijken. | Binnenspiegel en beide buitenspiegels. | Nacontrole, kan ik veilig mijn snelheid aanpassen. |
| 14. Langzaam achteruit rijden. | Gekoppeld zonder gas te geven. | |
| 15. Richtingaanwijzer uit. |
Hellingproef 5
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Stoppen. | Zoals reeds besproken (H.A. stoppen op een helling (afwaarts). | |
| 2. Wegrijden. | Zoals reeds besproken (H.A. wegrijden vlakke weg). | NOOT: Doordat je op een helling staat wil de auto vanzelf al gaan rijden; dit vergemakkelijkt het wegrijden. |
| Een tweede mogelijkheid van wegrijden: | De handelingen blijven hetzelfde, alleen de volgorde van handelen is net anders. | |
| Handrem eraf. | Zoals reeds besproken. | |
| Koppeling naar aangrijppunt. | Zoals reeds besproken. | |
| Iets gas. | Zoals reeds besproken. | |
| Koppeling geheel op. | Zoals reeds besproken. | |
| Kijken. | Zoals reeds besproken. | |
| Versnellen. | Zoals reeds besproken. |
Recht Achteruitrijden
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Algemeen. | Mag ik en kan ik recht achteruit rijden? | |
| 2. Stoppen. | Zoals reeds besproken (H.A.-stoppen) op ± 50 cm van de rijbaankant. Wielen in de rechtuit stand. | |
| 3. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, rechterbuitenspiegel, en over beide schouders. | Kijk of je overig verkeer voor moet laten gaan. (art. 54 RW). |
| 4. Inschakelen. | De handelingen voor wat betreft het schakelen zijn reeds besproken met dien verstande dat de achteruit versnelling ingeschakeld wordt. | |
| 5. Houding algemeen | Indien gewenst mag het bovenlichaam dusdanig gedraaid worden, dat de rechterhand het stuur niet meer vastheeft. Met de rechterarm mag eventueel steun gezocht worden. | |
| 6. Wegrijden. | Achteruit en met een slippende koppeling blijven rijden. | Alleen met een slippende koppeling kun je stapvoets rijden, wat voor het achteruit rijden absoluut noodzakelijk is. |
| 7. Kijken. | Achter de auto en regelmatig rondom. | Houdt regelmatig het overige verkeer in de gaten. |
| 8. Corrigeren. | Als de auto niet meer de gewenste weg volgt, dan zeer geleidelijk en weinig sturen. | Te grote stuurbewegingen maken, dat de auto te snel en te veel uit koers gaat. |
| BELANGRIJK: Tijdens de oefening regelmatig rondom blijven kijken. |
Bocht achteruit
| WAT | HOE | WAAROM |
| Algemeen. | Kan en mag ik hier achteruit rijden? | |
| 1. Stoppen. | Zoals reeds besproken (H.A.-stoppen). ±10 meter na de bocht op ± 50 cm van de rijbaankant. | Stoppen zo ruim na de bocht, zodat via de achterruit een herkennings- punt zichtbaar is met trottoirrand. |
| 2. Recht achteruit rijden. | Zoals reeds besproken (H.A. recht achteruitrijden). | |
| 3. Kijken. | Rondom de auto. | Herkenningspunt vast- houden tot het verdwijnt. |
| 4. Kijken vóór het insturen. | Voor, linkerbuitenspiegel, en links over de linkerschouder. | De neus van je auto zal bij het insturen van de bocht uitbreken, dus controleer eerst nogmaals of dit alles kan. |
| 5. Insturen. | Naar rechts. | Als trottoirrand in de rechter zijruit (achter) verschijnt. |
| 6. Kijken. | Rondom de auto. | Je bent nu op het gevaarlijkste punt van de oefening, want je rijdt achteruit naar rechts een kruising op. Controleer dus je omgeving goed. |
| 7. Terugsturen. | Naar links. | Als je herkenningspunt (trottoirrand) weer bijna op z’n plaats is. |
| 8. Rustig recht achteruit rijden. | Tot 5 meter voorbij | BELANGRIJK: tijdens de oefening regelmatig voor, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de schouder kijken. |
Keren door middel van een halve draai
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Kijken. | – Naar b.v. verkeersborden of tekens op het wegdek. – Naar de breedte van de weg en eventuele obstakels op en langs de rijbaan. |
Kan en mag ik hier keren? |
| 2. Stoppen. | Zoals reeds besproken (H.A.-stoppen). Op 15 cm van de rechter trottoirrand. | Zo gebruik je de maximale rijbaanbreedte (evt. met inbegrip van parkeerhaven stroken). |
| 3. Kijken. | Rondom de auto. | Controleer of je ander verkeer voor moet laten gaan. |
| 4. Inschakelen. | In de 1e versnelling. | Zo kan je wegrijden. |
| 5. kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. | Controleer nog een keer of je ander verkeer voor moet laten gaan. |
| 6. Wegrijden. | Eerst een paar meter recht vooruit. Verder zoals reeds besproken met dien verstande dat de koppeling slippend mag worden gehouden. | Zo kan je stapvoets rijden. |
| 7. Kijken. | Door de voor- en zijruiten, in de binnen- en buitenspiegel en over de linkerschouder. | Controle overig verkeer. |
| 8. Sturen. | Vlot, naar links en maximaal. (Eventueel eerst naar rechts een parkeervak of ander beschikbaar weggedeelte opsturen.) | Het voertuig moet in een draai gekeerd worden. Nooit droogsturen. |
| 9. Kijken. | Door de voor- en zijruiten, in de binnen- en linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. | Controle overig verkeer. |
| 10. Terugsturen. | Vlot, naar rechts. Als de draai bijna voltooid is. | De auto is bijna in de rechtuit stand. |
| 11. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. | Controle overig verkeer. |
| 12. Snelheid aanpassen. | Aan het overige verkeer. |
Keren in twee stappen
| WAT | HOE | WAAROM |
| Kijken algemeen. | – Naar verkeerstekens op of naast de rijbaan. – Naar de breedte van de weg en obstakels naast de rijbaan. Bij obstakels die aan de linkerzijde van de rijbaan staan, bijv. Een lantaarnpaal kun je het best het obstakel bij de linker raamstijl houden. |
Mag ik hier keren? Kan ik hier keren? |
| 1. Stoppen aan de Linkerzijde van de rijbaan. | Op één meter van de kant. | |
| 2. Kijken. | Voor, binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. | Controleer of je het overige verkeer voor moet laten gaan. |
| 3. Schakelen. | In achteruit. | |
| 4. Wegrijden. | Met slippende koppeling. | Stapvoets rijden kan alleen op deze manier. |
| 5. Sturen. | Vlot, volledig naar rechts. | Nooit droogsturen. |
| 6. Kijken. | Links en rechts de rijbaan in. Ook in de binnenspiegel en linkerbuitenspiegel. | Controle overig verkeer. |
| 7. Terug sturen. | Naar links tot de banden recht onder de auto staan. | Je treft alvast maatregelen voor de volgende fase. |
| 8. Auto tegen trottoirband laten rollen. | Zeer geleidelijk. Niet met de auto op het trottoir! | Denk aan de slijtage van stuur, wielen. |
| 9. Kijken. | Links en rechts ook in de spiegels. | Controle overig verkeer. |
| 10. Schakelen. | Eerste versnelling. | |
| 11. Rijden. | Vooruit met slippende koppeling. | Stapvoets. |
| 12. Sturen. | Vlot en geheel naar links. | Dan heb je minder ruimte nodig. |
| 13. Kijken. | Voor, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en linkerschouder. | Controle overig verkeer. |
| 14. Snelheid aanpassen. | Aan overig verkeer. |
Keren in drie stappen
| WAT | HOE | WAAROM |
| Kijken algemeen. | – Naar verkeerstekens op of naast de rijbaan. – Naar breedte van de weg en obstakels naast de rijbaan. Bij obstakels die aan de rechterzijde van de rijbaan staan, zoals lantaarnpalen, kun je het best het obstakel bij de rechterraamstijl houden, dan heb je van het obstakel geen last. |
Mag ik hier keren? Kan ik hier keren? ±1,5 maal de wielbasis. |
| 1. Stoppen aan de rechterzijde van de rijbaan. | Zoals reeds besproken (H.A.-stoppen). Op ± 15 cm van de rijbaankant. | |
| 2. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder kijken. | Controleer of je overig verkeer voor moet laten gaan. |
| 3. Wegrijden. | Zoals reeds besproken, met dien verstande dat de koppeling slippend moet worden gehouden. | Stapvoets rijden kan alleen op deze wijze worden verkregen. |
| 4. Insturen. | Vlot, zodra je rijdt geheel naar links insturen. | Nooit ‘droogsturen’ d.w.z. sturen als je stilstaat i.v.m. overmatige slijtage aan banden / stuurinrichting. |
| 5. Kijken. | Links en rechts de rijbaan in. Ook in de binnenspiegel en linkerbuitenspiegel. | Controle overig verkeer. |
| 6. Terugsturen. | Naar rechts als de wielen ca 0,5 meter van de linker trottoirrand zijn verwijderd. | Je treft hiermee alvast voorbereiding voor het sturen als je straks achter- uit gaat rijden; voordeel is dat je nu nog minder ruimte nodig hebt om te keren. |
| 7. Auto tegen trottoirrand laten rollen. | Zeer geleidelijk!! | – We mogen niet met de auto op het trottoir komen. – Denk aan slijtage aan stuurinrichting, wiel- ophanging, banden en dergelijke. |
| 8. Kijken. | Links naast, rechts naast en achter. | Je gaat straks achteruit- rijden, dus controleer goed of je overig verkeer voor moet laten gaan. |
| 9. Inschakelen. | Achteruit. | Pas wanneer je daad- werkelijk achteruit kunt rijden. |
| 10. Stapvoets rijden en vlot sturen. | Vlot en geheel naar rechts sturen. | |
| 11. Terugsturen. | Naar links, vlot en zoveel mogelijk. Als auto haaks op trottoir staat. | Je treft hiermee alvast voorbereiding voor het sturen als je zo direct vooruit gaat rijden: voordeel is dat je nu nog minder ruimte nodig hebt om te keren. |
| 12. Auto tegen de trottoirrand laten rollen. | Zeer geleidelijk!! | – We mogen niet met de auto op het trottoir komen. – Denk aan slijtage aan wielophanging, banden en dergelijke. |
| 13. Kijken. | Links naast, rechts naast en voor. | Je gaat nu vooruit, maar je bent nog steeds bezig met een bijzondere verrichting. Dus controleer of je overig verkeer voor moet laten gaan. |
| 14. Inschakelen. | In de 1e versnelling. | |
| 15. Stapvoets rijden en vlot sturen. | Vlot en geheel naar links sturen. | |
| 16. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. | |
| 17. Snelheid aanpassen. | Aan overig verkeer. | |
| BELANGRIJK: Je bent bezig met een bijzondere manoeuvre (art. 54 RW). | De handeling moet vlot en vloeiend verlopen, niet hortend en stotend. |
Parkeren in file vooruit (rechts)
| WAT | HOE | WAAROM |
| Algemeen. | Kan en mag ik fileparkeren?(Minimaal 3x de voertuiglengte). | |
| 1. Stoppen. | Aan de rechterzijde, op technisch juiste wijze. Houdt ca. 1 meter ruimte tussen beide auto’s. De rechterbuitenspiegel gelijk aan de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto en de wielen in de rechtuit- stand. | |
| 2. Kijken vóór het oprijden. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan gaan worden (art. 54 RW). |
| 3. Inschakelen. | In de 1e versnelling. | |
| 4. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 5. Recht vooruitrijden. | Op technisch juiste wijze met een slippende koppeling. | Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden. |
| 6. Kijken vóór het insturen. | Binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. | Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden. |
| 7. Insturen. | Naar rechts, vlot en maximaal zodra de B-stijl ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto is. | Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto. |
| 8. Kijken. | Rondom de auto. | Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen. |
| 9. Terugsturen. | Naar links, vlot zodra de auto een hoek van 45 graden t.o.v. de trottoirrand maakt. | Op deze wijze wordt voorkomen dat het rechter voor- wiel de trottoirrand raakt. |
| 10. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 11. Sturen. | Rustige stuurbewegingen naar rechts. | De auto moet evenwijdig en niet te ver van de trottoirrand staan. |
| 12. Stoppen. | Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt. | |
| 13. Wegrijden. | • Bij voldoende ruimte: zoals geleerd. • Bij onvoldoende ruimte: Eerst achteruitrijden (zoals geleerd) en daarna weg- rijden (zoals geleerd). |
Parkeren in file vooruit (links)
| WAT | HOE | WAAROM |
| Kijken algemeen. | Kan en mag ik fileparkeren?(minimaal 3x de voertuiglengte). | |
| 1. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. | Voorbereiding op een belangrijke zijdelingse verplaatsing. |
| 2. Geef richting aan. | Naar links, vóór de zijdelingse verplaatsing. | Voorgenomen handeling kenbaar maken. |
| 3. Stoppen. | Aan de linkerzijde, op technisch juiste wijze. Houd ca. 1 meter ruimte tussen beide auto’s. Linker buitenspiegel gelijk aan de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto en de wielen in de recht uit stand. | |
| 4. Richtingaanwijzer uit. | ||
| 5. kijken vóór het oprijden. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan gaan worden (art. 54 RW). |
| 6. Inschakelen. | In de 1e versnelling. | |
| 7. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 8. Recht vooruitkijken. | Op technisch juiste wijze meteen slippende koppeling. | Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden. |
| 9. Kijken vóór het insturen. | Binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. | Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden. |
| 10. Insturen. | Naar links, vlot en maximaal zodra de B-stijl ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto is. | Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto. |
| 11. Kijken. | Rondom de auto. | Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen. |
| 12. Terugsturen. | Naar rechts, vlot zodra de auto een hoek van 45 graden t.o.v. de trottoirrand maakt. | Op deze wijze wordt voorkomen dat het linker voorwiel de trottoirrand raakt. |
| 13. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 14. Sturen. | Rustige stuurbewegingen naar links. | De auto moet evenwijdig en niet te ver van de trottoirrand staan. |
| 15. Stoppen. | Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt. | |
| 16. Wegrijden. | • Bij voldoende ruimte: zoals geleerd. • Bij onvoldoende ruimte: eerst achteruit rijden (zoals geleerd) en daarna wegrijden (zoals geleerd). |
Parkeren in file achteruit (rechts)
| WAT | HOE | WAAROM |
| Kijken algemeen. | kan en mag ik fileparkeren? | |
| 1. Stoppen. | Aan de rechterzijde op technisch juiste wijze. Houd ca. 50 cm. ruimte tussen beide auto’s en de rechterbuitenspiegel ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto. Wielen in de rechtuit stand. | |
| 2. Kijken vóór het achteruitrijden. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, rechterbuitenspiegel en over beide schouders. | Controleer of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan gaan worden (art. 54 RW). |
| 3. Recht achteruitrijden. | Op technisch juiste wijze met een slippende koppeling. | Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden. |
| 4. Kijken vóór het insturen. | Naar voren, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. | Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden. |
| 5. Insturen. | Naar rechts en maximaal zodra het hart van het achter- wiel (bovenzijde rugleuning achterbank) gelijk is met de voor- of achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. | Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto. |
| 6. Kijken. | Rondom de auto. | Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen. |
| 7. Terugsturen. | Naar links en maximaal zodra de rechterbuitenspiegel gelijk is met de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. | Op deze wijze wordt voorkomen dat het rechter achterwiel de trottoirrand raakt. |
| 8. Stoppen. | Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt. | Op deze wijze wordt voorkomen dat de achterkant van de auto weer de rijbaan oprijdt. |
| 9. Wegrijden. | Conform het wegrijden na een stop buiten het verkeer. N.B.! De wielen staan nog ingestuurd. | |
| 10. Sturen. | Naar rechts, vlot. | Als de rechter koplamp gelijk is met de linkerlamp van de geparkeerde auto voor je. |
| 11. Kijken. | Binnenspiegel en buiten-spiegels). | Op deze wijze kan het achteropkomend verkeer geobserveerd worden. |
| 12. Snelheid aanpassen. | Aan het overige verkeer. |
Fileparkeren achteruit (links)
| WAT | HOE | WAAROM |
| Kijken algemeen. | Kan en mag ik fileparkeren? | |
| 1. Kijken. | Naar voren, binnen spiegel linker buitenspiegel en over de linker schouder. | Voorbereiden op een belangrijke zijdelingse verplaatsing naar links. |
| 2. Geef richting aan. | Naar links, vóór de zijdelingse verplaatsing. | Voorgenomen handeling kenbaar maken. |
| 3. Stoppen. | Aan de linkerzijde, op technisch juiste wijze. Houdt ca. 50 cm. ruimte tussen beide auto’s en de linker- buitenspiegel ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto. Wielen in de rechtuit stand. | |
| 4. Richtingaanwijzer uit. | ||
| 5. Kijken voor hetachteruitrijden. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, rechterbuitenspiegel en over beide schouders. | Controleer of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken, uitgevoerd kan worden (art. 54 RW). |
| 6. Recht achteruitrijden. | Op technisch juiste wijze met een slippende koppeling. | Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden. |
| 7. Kijken vóór het insturen. | Naar voren, rechterbuitenspiegel en over de rechter- schouder. | Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden. |
| 8. Insturen. | Naar links en maximaal zodra het hart van het achterwiel (bovenzijde rugleuning achterbank) gelijk is met de voor- of achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. | Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto. |
| 9. Kijken. | Rondom de auto. | Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen. |
| 10. Terugsturen. | Naar rechts en maximaal zodra de linker buitenspiegel gelijk is met de voor- of achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. | Op deze wijze wordt voorkomen dat het linker- achterwiel de trottoirrand raakt. |
| 11. Stoppen. | Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt. | Op deze wijze wordt voorkomen dat de achterkant van de auto weer de rijbaan oprijdt. |
| 12. Wegrijden. | Conform het wegrijden na een stop buiten het verkeer. N.B. de wielen staan nog ingestuurd! | |
| 13. Terugsturen. | Naar links, zodanig dat zo vlot mogelijk de juiste plaats op de weg ingenomen wordt. | Dit voorkomt onnodige hinder of gevaar. |
| 14. Kijken. | Binnenspiegel en buiten-spiegels). | Op deze wijze kan het achteropkomend verkeer geobserveerd worden. |
| 15. Snelheid aanpassen. | Aan het overig verkeer. |
Achteruit een garage / oprit inrijden
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Stoppen. | Zoals besproken.Op ca. 1 meter van de trottoirrand en ca. 7 meter voorbij de garage. | Dit is de juiste uitgangs-positie. |
| 2. Kijken. | Binnenspiegel, voor,linker buitenspiegel en over de beide schouders. | Controleer of je ander verkeer voor moet laten gaan. |
| 3. Achteruit rijden. | Zoals besproken bij H.A.recht achteruit rijden. | |
| 4. Kijken, vóór het insturen. | Voor, linkerbuitenspiegel en links naast. | De neus van de auto zwaait straks uit naar links. Controleer of dit zonder gevaar of hinder kan. |
| 5. Insturen. | Vlot naar rechts. Als de eerste deurstijl van de garage in de ruit van het achterportier verschijnt. | Het moment van sturen aanpassen aan de rijsnelheid en de snelheid van sturen. |
| 6. Kijken. | Voor, links naast je, rechts naast je en achter je. | Je bent nu het breedst met je auto. Controleer het ander verkeer. Ook het trottoir. |
| 7. Terugsturen. | Als de auto bijna recht in de garage / inrit staat. | Is te herkennen aan het evenwijdig lopen van de neus van de auto met de trottoirrand. |
| 8. Recht achteruit inrijden. | Stapvoets. | Controleer links en rechts naast je. |
Vooruit een garage uitrijden
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Kijken. | Voor. | Controleer of je het overige verkeer voor moet laten gaan. |
| 2. Richting aangeven. | Naar links of rechts. | |
| 3. Wegrijden. | Zoals reeds besproken.Stapvoets. | Alleen stapvoets kan deze handeling gecontroleerd uitgevoerd worden. |
| 4. Kijken. | Links, voor en rechts. | Laatste nacontrole alvorens je de weg oprijdt. |
| 5. Insturen. | Rechts/links. | Nooit direct insturen maar altijd wachten tot de auto bijna de garage uit is i.v.m. het inlopen van de achterzijde van je auto. |
| 6. Terugsturen. | Als de auto bijna recht op de weg is. | Op tijd sturen voorkomt een slingerend weggedrag. |
| 7. Kijken. | Binnenspiegel, linkerbuitenspiegel. | Controleer of je snelheid kunt vermeerderen. |
| 8. Snelheid aanpassen. | Aan overig verkeer. | |
| BELANGRIJK: je bentbezig met een bijzondere manoeuvre, dus blijf regelmatig tijdens je manoeuvre controleren of je iemand voor moet laten gaan. |
Vooruit parkeren in een parkeervak (rechts)
| WAT | HOE | WAAROM |
| Algemeen. | Kan en mag ik in dit vak parkeren? Je maakt geen of zo min mogelijk gebruik van de naast gelegen parkeervakken, die vrij moeten zijn van geparkeerde voertuigen. | |
| 1. Stoppen. | Zoals reeds besproken.Aan de rechterzijde van de rijbaan. Voorkant van de auto op 3 vakken voor het in te parkeren vak. | Je creëert nu voldoende ruimte op de oefening aan te vangen. |
| 2. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controleer of je het overig verkeer voor moet laten gaan. |
| 3. Inschakelen. | In de eerste versnelling. | |
| 4. Kijken. | Voor, binnenspiegel, linker-buitenspiegel en over beide schouders. | Controleer nog een keer of je kunt wegrijden. |
| 5. Wegrijden. | Zoals reeds besproken. | |
| 6. Kijken. | Voor, binnenspiegel, linker-buitenspiegel en over de linkerschouder. | Controleer of je naar de linkerzijde van de rijbaan kunt. |
| 7. Sturen. | Vlot, helemaal naar links.Als de deurstijl aan het einde van vak 3 is. | Zo maak je ruimte om in te gaan sturen. |
| 8. Kijken. | Blijf het verkeer observeren.Voordat je naar rechts gaat sturen kijk je in de binnen- spiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. | Controleer of er iemand rechts naast je zit. |
| 9. Sturen. | Naar rechts. Als de voorkant van de auto bij het begin van vak 1 is. | Zo maak je de ruimte niet te krap. |
| 10. Kijken. | Rondom het voertuig. | Blijf het verkeer observeren en fixeer je niet op het parkeervak. |
| 11. Terugsturen. | Naar links. Als de auto nagenoeg recht in het vak staat. | Zowel de auto als de wielen moeten recht staan. Dat is veiliger bij het verlaten van het vak. |
| 12. Stoppen. | Zoals reeds besproken.Als de auto geheel in het vak staat. |
Vooruit parkeren in een parkeervak (links)
| WAT | HOE | WAAROM |
| Algemeen. | Kan en mag ik in dit vak parkeren? Je maakt geen of zo min mogelijk gebruik van de naast gelegen parkeervakken, die vrij moeten zijn van geparkeerde voertuigen. | |
| 1. Stoppen. | Zoals reeds besproken.Aan de rechterzijde van de rijbaan. Voorkant van de auto op 3 vakken voor het in te parkeren vak. | Je creëert nu voldoende ruimte op de oefening aan te vangen. |
| 2. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controleer of je het overig verkeer voor moet laten gaan. |
| 3. Inschakelen. | In de 1e versnelling. | |
| 4. Kijken. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. | Controleer nog een keer of je kunt wegrijden. |
| 5. Wegrijden. | Zoals reeds besproken. | |
| 6. Kijken. | Voor, binnenspiegel, linker-buitenspiegel en over de linkerschouder. | Controleer of je naar de linkerzijde van de rijbaan kunt. |
| 7. Sturen. | Vlot, helemaal naar links.Als de voorkant van de auto bij het begin van vak 1 is. | Zo maak je ruimte om in te gaan sturen. |
| 8. Kijken. | Rondom het voertuig. | Blijf het verkeer observeren en fixeer je niet op het parkeervak. |
| 9. Terugsturen. | Naar rechts. Als de auto nagenoeg recht in het vak staat. | Zowel de auto als de wielen moeten recht staan. Dit is veiliger bij het verlaten van het vak. |
| 10. Stoppen. | Zoals reeds besproken.Als de auto geheel in het vak staat. |
Verlaten van een parkeervak
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Kijken. | Binnenspiegel, voor, linker-buitenspiegel, links over de schouder en over de rechterschouder. | Controleer of je het vak uit kunt en of je iemand voor moet laten gaan. |
| 2. Schakelen. | In de achteruitversnelling,(zoals reeds besproken) | Je gaat zo meteen het vak achteruit verlaten. |
| 3. Kijken. | Binnenspiegel, voor, linker-buitenspiegel, links over de schouder en over de rechterschouder. | Controleer nogmaals of je weg kunt rijden. |
| 4. Achteruit rijden. | Met slippende koppeling. | Zo kun je stapvoets rijden. |
| 5. Kijken. | Rondom de auto. | Blijf het verkeer observeren. |
| 6. Sturen. | Naar links en rechts.Als de buitenspiegels aan het begin van het parkeervak zijn. | Zo voorkom je dat je een te korte draai maakt. |
| 7. Kijken. | Rondom de auto. | Blijf het verkeer observeren. |
| 8. Stoppen. | Als de auto recht staat. | |
| 9. Wegrijden. | Zoals reeds besproken. |
Achteruit parkeren in een parkeervak rechts
| WAT | HOE | WAAROM |
| Algemeen. | Kan en mag ik in dit vak parkeren? | |
| 1. Stoppen. | Op technisch juiste wijze aan de rechterzijde van de rijbaan, tenminste 2 vakken voor het doelvak. | |
| 2. Kijken vóór het oprijden. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW). |
| 3. Oprijden naar de uitgangspositie. | Conform H.A. wegrijden na een stop buiten het verkeer. | |
| 4. Stoppen. | Op technisch juiste wijze,minimaal ca. 1 meter vanaf het begin van de parkeer- vakken en ca. 3 vakken voorbij het doelvak. | Op deze wijze kan de verrichting correct worden uitgevoerd (ook naast of tussen reeds geparkeerde auto(s)). |
| 5. Kijken vóór het achteruitrijden. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW). |
| 6. Achteruitrijden. | Op technisch juiste wijze met slippende koppeling. | Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden. |
| 7. Kijken vóór het insturen. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. | De voorkant van de auto gaat uitzwenken. Indien nodig kan nu nog tijdig gestopt worden. |
| 8. Insturen. | Naar rechts vlot. Bijv. als de B-stijl van de auto ca. 1,5 vak voor het doelvak is. | |
| 9. Kijken. | Rondom de auto. | De auto neemt nu de meeste plaats op de weg in. Blijf het overige verkeer controleren. Ook in het doelvak. |
| 10. Terugsturen. | Naar links als de auto bijna recht achteruit in het doelvak rijdt. | Droogsturen voorkomen.Op deze wijze eindigt de recht in het doelvak. |
| 11. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 12. Stoppen. | Op technisch juiste wijze zodra de auto recht in het doelvak staat met de wielen in de rechtuit stand. |
Achteruit parkeren in een parkeervak links
| WAT | HOE | WAAROM |
| Algemeen. | Kan en mag ik in dit vak parkeren? | |
| 1. Stoppen. | Op technisch juiste wijze aan de linkerzijde van de rijbaan, tenminste 2 vakken voor het doelvak. | |
| 2. Kijken vóór het oprijden. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW). |
| 3. Oprijden naar de uitgangspositie. | Conform H.A. wegrijden na een stop buiten het verkeer. | |
| 4. Stoppen. | Op technisch juiste wijze,minimaal ca. 1 meter vanaf het begin van de parkeer- vakken en ca. 3 vakken voorbij het doelvak. | Op deze wijze kan de verrichting correct worden uitgevoerd (ook naast of tussen reeds geparkeerde auto(s)). |
| 5. Kijken vóór het achteruitrijden. | Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW). |
| 6. Achteruitrijden. | Op technisch juiste wijze met slippende koppeling. | Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden. |
| 7. Kijken vóór het insturen. | Naar voren, binnenspiegel,rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. | De voorkant van de auto gaat uitzwenken. Indien nodig kan nu nog tijdig gestopt worden. |
| 8. Insturen. | Naar links vlot. Bijv. als de B-stijl van de auto ca. 1,5 vak voor het doelvak is. | |
| 9. Kijken. | Rondom de auto. | De auto neemt nu de meeste plaats op de weg in. Blijf het overige verkeer controleren. Ook in het doelvak. |
| 10. Terugsturen. | Naar rechts als de auto bijna recht achteruit in het doelvak rijdt. | Droogsturen voorkomen.Op deze wijze eindigt de recht in het doelvak. |
| 11. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 12. Stoppen. | Op technisch juiste wijze zodra de auto recht in het doelvak staat met de wielen in de rechtuit stand. |
wegrijden uit een parkeervak
| WAT | HOE | WAAROM |
| 1. Kijken. | Links, voor en rechts. | Controleer of je weg kunt rijden. Probeer ook door ruiten van auto’s heen te kijken, dan weet je nog eerder of het vrij is. |
| 2. Richting aangeven. | Naar links/rechts. | |
| 3. Wegrijden. | Stapvoets uit het vak rijden. | |
| 4. Kijken. | Links, voor en rechts. | Nacontrole voor je de rijbaan oprijdt. |
| 5. Insturen. | Naar links/rechts. Bijv. Als spiegel gelijk is met de voor/achterzijde van de auto waar je naast staat. | Nooit direct beginnen testuren i.v.m. het inlopen van de achterzijde van de auto. |
| 6. Terugsturen. | Als de auto bijna recht is. | Op tijd sturen voorkomt slingerend weggedrag. |
| 7. Kijken. | Binnenspiegel en buiten-spiegels). | Controleer of je je snelheid aan kunt passen. |
| 8. Snelheid aanpassen. | Aan het overig verkeer. |
De Stopopdracht
| WAT | HOE | WAAROM |
| Algemeen. | Kan en mag ik fileparkeren?(Minimaal 3x de voertuiglengte). | |
| 1. Stoppen. | Aan de rechterzijde, op technisch juiste wijze. Houdt ca. 1 meter ruimte tussen beide auto’s. De rechterbuitenspiegel gelijk aan de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto en de wielen in de rechtuit- stand. | |
| 2. Kijken vóór het oprijden. | Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. | Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan gaan worden (art. 54 RW). |
| 3. Inschakelen. | In de 1e versnelling. | |
| 4. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 5. Recht vooruitrijden. | Op technisch juiste wijze met een slippende koppeling. | Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden. |
| 6. Kijken vóór het insturen. | Binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. | Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden. |
| 7. Insturen. | Naar rechts, vlot en maximaal zodra de B-stijl ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto is. | Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto. |
| 8. Kijken. | Rondom de auto. | Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen. |
| 9. Terugsturen. | Naar links, vlot zodra de auto een hoek van 45 graden t.o.v. de trottoirrand maakt. | Op deze wijze wordt voorkomen dat het rechter voor- wiel de trottoirrand raakt. |
| 10. Kijken. | Rondom de auto. | |
| 11. Sturen. | Rustige stuurbewegingen naar rechts. | De auto moet evenwijdig en niet te ver van de trottoirrand staan. |
| 12. Stoppen. | Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt. | |
| 13. Wegrijden. | • Bij voldoende ruimte: zoals geleerd. • Bij onvoldoende ruimte: Eerst achteruitrijden (zoals geleerd) en daarna weg- rijden (zoals geleerd). |
|
| 14. Kijken | Rondom de Auto. | Controleer of je overig verkeer voor moet laten gaan (art.54 RVV). |
| 15. Koppelingspedaal intrappen. | Geheel en vlot met de bal van de linkervoet. | Deze handeling maakt het schakelen mogelijk doordat je een onderbreking maakt tussen de motor en de versnellingsbak. |
| 16. Hand naar de versnellingspook. | Rechterhand. | Om op het juiste moment in te kunnen schakelen. |
| 17. Inschakelen. | In de 1e versnelling of de achteruit versnelling. | Hiermee maak je mogelijk dat de motor straks zijn aandrijfkracht kwijt kan op de wielen. |
| 18. Hand naar de handrem. |
Rechterhand, vlot. | |
| 19. Handrem eraf. | Handrem iets omhoog, knopje indrukken, handrem geheel omlaag. | |
| 20. Hand naar het stuur. | Rechterhand, vlot. | Je neemt weer de ideale positie in met je handen op het stuur. |
| 21. Koppelingspedaal naar het aangrijpingspunt laten komen. | Met de linkervoet, geleidelijk. | Altijd geleidelijk werken met de koppeling, want de koppelingsplaten moeten geleidelijk aangrijpen anders slaat de motor af. |
| 22. Iets gas geven. | Met de rechtervoet, geleidelijk. | Om het aangrijpen van de koppelingsplaten op te vangen. |
| 23. Kijken. | Voor het wegrijden vanaf de rechterzijde van de weg: · Binnenspiegel, voor, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder.Voor het wegrijden vanaf de linkerzijde van de weg: · Binnenspiegel, voor, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. |
Als een laatste controle voordat je gaat wegrijden. |
| 24. Richtingaanwijzer aan. | Naar links of rechts. | Je maakt hiermee kenbaar aan de overige weggebruikers dat je gaat wegrijden. |
| 25. Koppelingspedaal geheel op laten komen. | Geleidelijk en direct linkervoet naast het koppelingspedaal plaatsen. | Het koppelingspedaal even vasthouden op het aangrijpingspunt en dan rustig omhoog laten komen om de motor de gelegenheid te geven zijn kracht over te brengen op de wielen. Je plaatst je voet ernaast om overmatige slijtage aan de onderdelen van de koppeling te voorkomen. |
| 26. Kijken. | Binnenspiegel en buitenspiegel(s). | Nacontrole. |
| 27. Snelheid aanpassen. | Aan overige verkeer. | Probeer vlot mee te rijden met het verkeer. Daarbij natuurlijk wel de maximum snelheid hanteren en wees een goed anticiperende bestuurder. |
| 28. Richtingaanwijzer uit. |
