Parkeren in file vooruit (rechts)

WAT HOE WAAROM
Algemeen. Kan en mag ik fileparkeren?(Minimaal 3x de voertuiglengte).
1. Stoppen. Aan de rechterzijde, op technisch juiste wijze. Houdt ca. 1 meter ruimte tussen beide auto’s. De rechterbuitenspiegel gelijk aan de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto en de wielen in de rechtuit- stand.
2. Kijken vóór het oprijden. Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan gaan worden (art. 54 RW).
3. Inschakelen. In de 1e versnelling.
4. Kijken. Rondom de auto.
5. Recht vooruitrijden. Op technisch juiste wijze met een slippende koppeling. Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden.
6. Kijken vóór het insturen. Binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden.
7. Insturen. Naar rechts, vlot en maximaal zodra de B-stijl ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto is. Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto.
8. Kijken. Rondom de auto. Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen.
9. Terugsturen. Naar links, vlot zodra de auto een hoek van 45 graden t.o.v. de trottoirrand maakt. Op deze wijze wordt voorkomen dat het rechter voor- wiel de trottoirrand raakt.
10. Kijken. Rondom de auto.
11. Sturen. Rustige stuurbewegingen naar rechts. De auto moet evenwijdig en niet te ver van de trottoirrand staan.
12. Stoppen. Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt.
13. Wegrijden. • Bij voldoende ruimte: zoals geleerd.
• Bij onvoldoende ruimte: Eerst achteruitrijden (zoals geleerd) en daarna weg- rijden (zoals geleerd).

Terug naar boven.

Parkeren in file vooruit (links)

WAT HOE WAAROM
Kijken algemeen. Kan en mag ik fileparkeren?(minimaal 3x de voertuiglengte).
1. Kijken. Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. Voorbereiding op een belangrijke zijdelingse verplaatsing.
2. Geef richting aan. Naar links, vóór de zijdelingse verplaatsing. Voorgenomen handeling kenbaar maken.
3. Stoppen. Aan de linkerzijde, op technisch juiste wijze. Houd ca. 1 meter ruimte tussen beide auto’s. Linker buitenspiegel gelijk aan de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto en de wielen in de recht uit stand.
4. Richtingaanwijzer uit.
5. kijken vóór het oprijden. Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan gaan worden (art. 54 RW).
6. Inschakelen. In de 1e versnelling.
7. Kijken. Rondom de auto.
8. Recht vooruitkijken. Op technisch juiste wijze meteen slippende koppeling. Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden.
9. Kijken vóór het insturen. Binnenspiegel, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden.
10. Insturen. Naar links, vlot en maximaal zodra de B-stijl ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto is. Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto.
11. Kijken. Rondom de auto. Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen.
12. Terugsturen. Naar rechts, vlot zodra de auto een hoek van 45 graden t.o.v. de trottoirrand maakt. Op deze wijze wordt voorkomen dat het linker voorwiel de trottoirrand raakt.
13. Kijken. Rondom de auto.
14. Sturen. Rustige stuurbewegingen naar links. De auto moet evenwijdig en niet te ver van de trottoirrand staan.
15. Stoppen. Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt.
16. Wegrijden. • Bij voldoende ruimte: zoals geleerd.
• Bij onvoldoende ruimte: eerst achteruit rijden (zoals geleerd) en daarna wegrijden (zoals geleerd).

Terug naar boven.

Parkeren in file achteruit (rechts)

WAT HOE WAAROM
Kijken algemeen. kan en mag ik fileparkeren?
1. Stoppen. Aan de rechterzijde op technisch juiste wijze. Houd ca. 50 cm. ruimte tussen beide auto’s en de rechterbuitenspiegel ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto. Wielen in de rechtuit stand.
2. Kijken vóór het achteruitrijden. Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, rechterbuitenspiegel en over beide schouders. Controleer of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan gaan worden (art. 54 RW).
3. Recht achteruitrijden. Op technisch juiste wijze met een slippende koppeling. Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden.
4. Kijken vóór het insturen. Naar voren, linker buitenspiegel en over de linkerschouder. Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden.
5. Insturen. Naar rechts en maximaal zodra het hart van het achter- wiel (bovenzijde rugleuning achterbank) gelijk is met de voor- of achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto.
6. Kijken. Rondom de auto. Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen.
7. Terugsturen. Naar links en maximaal zodra de rechterbuitenspiegel gelijk is met de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. Op deze wijze wordt voorkomen dat het rechter achterwiel de trottoirrand raakt.
8. Stoppen. Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt. Op deze wijze wordt voorkomen dat de achterkant van de auto weer de rijbaan oprijdt.
9. Wegrijden. Conform het wegrijden na een stop buiten het verkeer. N.B.! De wielen staan nog ingestuurd.
10. Sturen. Naar rechts, vlot. Als de rechter koplamp gelijk is met de linkerlamp van de geparkeerde auto voor je.
11. Kijken. Binnenspiegel en buiten-spiegels). Op deze wijze kan het achteropkomend verkeer geobserveerd worden.
12. Snelheid aanpassen. Aan het overige verkeer.

Terug naar boven.

Fileparkeren achteruit (links)

WAT HOE WAAROM
Kijken algemeen. Kan en mag ik fileparkeren?
1. Kijken. Naar voren, binnen spiegel linker buitenspiegel en over de linker schouder. Voorbereiden op een belangrijke zijdelingse verplaatsing naar links.
2. Geef richting aan. Naar links, vóór de zijdelingse verplaatsing. Voorgenomen handeling kenbaar maken.
3. Stoppen. Aan de linkerzijde, op technisch juiste wijze. Houdt ca. 50 cm. ruimte tussen beide auto’s en de linker- buitenspiegel ter hoogte van de voor-/ achterkant van de geparkeerde auto. Wielen in de rechtuit stand.
4. Richtingaanwijzer uit.
5. Kijken voor hetachteruitrijden. Naar voren, binnenspiegel, linker buitenspiegel, rechterbuitenspiegel en over beide schouders. Controleer of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken, uitgevoerd kan worden (art. 54 RW).
6. Recht achteruitrijden. Op technisch juiste wijze met een slippende koppeling. Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden.
7. Kijken vóór het insturen. Naar voren, rechterbuitenspiegel en over de rechter- schouder. Indien noodzakelijk kan nu nog tijdig gestopt worden.
8. Insturen. Naar links en maximaal zodra het hart van het achterwiel (bovenzijde rugleuning achterbank) gelijk is met de voor- of achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. Op deze wijze blijft er voldoende ruimte t.o.v. de geparkeerde auto.
9. Kijken. Rondom de auto. Blijf de gehele situatie controleren. Zo wordt gefixeerd kijken voorkomen.
10. Terugsturen. Naar rechts en maximaal zodra de linker buitenspiegel gelijk is met de voor- of achterkant van de geparkeerde auto. Stuursnelheid afstemmen op de rijsnelheid. Op deze wijze wordt voorkomen dat het linker- achterwiel de trottoirrand raakt.
11. Stoppen. Op technisch juiste wijze zodra de auto evenwijdig aan de trottoirrand rijdt. Op deze wijze wordt voorkomen dat de achterkant van de auto weer de rijbaan oprijdt.
12. Wegrijden. Conform het wegrijden na een stop buiten het verkeer. N.B. de wielen staan nog ingestuurd!
13. Terugsturen. Naar links, zodanig dat zo vlot mogelijk de juiste plaats op de weg ingenomen wordt. Dit voorkomt onnodige hinder of gevaar.
14. Kijken. Binnenspiegel en buiten-spiegels). Op deze wijze kan het achteropkomend verkeer geobserveerd worden.
15. Snelheid aanpassen. Aan het overig verkeer.

Terug naar boven.

Achteruit een garage / oprit inrijden

WAT HOE WAAROM
1. Stoppen. Zoals besproken.Op ca. 1 meter van de trottoirrand en ca. 7 meter voorbij de garage. Dit is de juiste uitgangs-positie.
2. Kijken. Binnenspiegel, voor,linker buitenspiegel en over de beide schouders. Controleer of je ander verkeer voor moet laten gaan.
3. Achteruit rijden. Zoals besproken bij H.A.recht achteruit rijden.
4. Kijken, vóór het insturen. Voor, linkerbuitenspiegel en links naast. De neus van de auto zwaait straks uit naar links. Controleer of dit zonder gevaar of hinder kan.
5. Insturen. Vlot naar rechts. Als de eerste deurstijl van de garage in de ruit van het achterportier verschijnt. Het moment van sturen aanpassen aan de rijsnelheid en de snelheid van sturen.
6. Kijken. Voor, links naast je, rechts naast je en achter je. Je bent nu het breedst met je auto. Controleer het ander verkeer. Ook het trottoir.
7. Terugsturen. Als de auto bijna recht in de garage / inrit staat. Is te herkennen aan het evenwijdig lopen van de neus van de auto met de trottoirrand.
8. Recht achteruit inrijden. Stapvoets. Controleer links en rechts naast je.

Terug naar boven.

Vooruit een garage uitrijden

WAT HOE WAAROM
1. Kijken. Voor. Controleer of je het overige verkeer voor moet laten gaan.
2. Richting aangeven. Naar links of rechts.
3. Wegrijden. Zoals reeds besproken.Stapvoets. Alleen stapvoets kan deze handeling gecontroleerd uitgevoerd worden.
4. Kijken. Links, voor en rechts. Laatste nacontrole alvorens je de weg oprijdt.
5. Insturen. Rechts/links. Nooit direct insturen maar altijd wachten tot de auto bijna de garage uit is i.v.m. het inlopen van de achterzijde van je auto.
6. Terugsturen. Als de auto bijna recht op de weg is. Op tijd sturen voorkomt een slingerend weggedrag.
7. Kijken. Binnenspiegel, linkerbuitenspiegel. Controleer of je snelheid kunt vermeerderen.
8. Snelheid aanpassen. Aan overig verkeer.
BELANGRIJK: je bentbezig met een bijzondere manoeuvre, dus blijf regelmatig tijdens je manoeuvre controleren of je iemand voor moet laten gaan.

Terug naar boven.

Vooruit parkeren in een parkeervak (rechts)

WAT HOE WAAROM
Algemeen. Kan en mag ik in dit vak parkeren? Je maakt geen of zo min mogelijk gebruik van de naast gelegen parkeervakken, die vrij moeten zijn van geparkeerde voertuigen.
1. Stoppen. Zoals reeds besproken.Aan de rechterzijde van de rijbaan. Voorkant van de auto op 3 vakken voor het in te parkeren vak. Je creëert nu voldoende ruimte op de oefening aan te vangen.
2. Kijken. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controleer of je het overig verkeer voor moet laten gaan.
3. Inschakelen. In de eerste versnelling.
4. Kijken. Voor, binnenspiegel, linker-buitenspiegel en over beide schouders. Controleer nog een keer of je kunt wegrijden.
5. Wegrijden. Zoals reeds besproken.
6. Kijken. Voor, binnenspiegel, linker-buitenspiegel en over de linkerschouder. Controleer of je naar de linkerzijde van de rijbaan kunt.
7. Sturen. Vlot, helemaal naar links.Als de deurstijl aan het einde van vak 3 is. Zo maak je ruimte om in te gaan sturen.
8. Kijken. Blijf het verkeer observeren.Voordat je naar rechts gaat sturen kijk je in de binnen- spiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. Controleer of er iemand rechts naast je zit.
9. Sturen. Naar rechts. Als de voorkant van de auto bij het begin van vak 1 is. Zo maak je de ruimte niet te krap.
10. Kijken. Rondom het voertuig. Blijf het verkeer observeren en fixeer je niet op het parkeervak.
11. Terugsturen. Naar links. Als de auto nagenoeg recht in het vak staat. Zowel de auto als de wielen moeten recht staan. Dat is veiliger bij het verlaten van het vak.
12. Stoppen. Zoals reeds besproken.Als de auto geheel in het
vak staat.

Terug naar boven.

Vooruit parkeren in een parkeervak (links)

WAT HOE WAAROM
Algemeen. Kan en mag ik in dit vak parkeren? Je maakt geen of zo min mogelijk gebruik van de naast gelegen parkeervakken, die vrij moeten zijn van geparkeerde voertuigen.
1. Stoppen. Zoals reeds besproken.Aan de rechterzijde van de rijbaan. Voorkant van de auto op 3 vakken voor het in te parkeren vak. Je creëert nu voldoende ruimte op de oefening aan te vangen.
2. Kijken. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controleer of je het overig verkeer voor moet laten gaan.
3. Inschakelen. In de 1e versnelling.
4. Kijken. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. Controleer nog een keer of je kunt wegrijden.
5. Wegrijden. Zoals reeds besproken.
6. Kijken. Voor, binnenspiegel, linker-buitenspiegel en over de linkerschouder. Controleer of je naar de linkerzijde van de rijbaan kunt.
7. Sturen. Vlot, helemaal naar links.Als de voorkant van de auto bij het begin van vak 1 is. Zo maak je ruimte om in te gaan sturen.
8. Kijken. Rondom het voertuig. Blijf het verkeer observeren en fixeer je niet op het parkeervak.
9. Terugsturen. Naar rechts. Als de auto nagenoeg recht in het vak staat. Zowel de auto als de wielen moeten recht staan. Dit is veiliger bij het verlaten van het vak.
10. Stoppen. Zoals reeds besproken.Als de auto geheel in het vak staat.

Terug naar boven.

Verlaten van een parkeervak

WAT HOE WAAROM
1. Kijken. Binnenspiegel, voor, linker-buitenspiegel, links over de schouder en over de rechterschouder. Controleer of je het vak uit kunt en of je iemand voor moet laten gaan.
2. Schakelen. In de achteruitversnelling,(zoals reeds besproken) Je gaat zo meteen het vak achteruit verlaten.
3. Kijken. Binnenspiegel, voor, linker-buitenspiegel, links over de schouder en over de rechterschouder. Controleer nogmaals of je weg kunt rijden.
4. Achteruit rijden. Met slippende koppeling. Zo kun je stapvoets rijden.
5. Kijken. Rondom de auto. Blijf het verkeer observeren.
6. Sturen. Naar links en rechts.Als de buitenspiegels aan het begin van het parkeervak zijn. Zo voorkom je dat je een te korte draai maakt.
7. Kijken. Rondom de auto. Blijf het verkeer observeren.
8. Stoppen. Als de auto recht staat.
9. Wegrijden. Zoals reeds besproken.

Terug naar boven.

Achteruit parkeren in een parkeervak rechts

WAT HOE WAAROM
Algemeen. Kan en mag ik in dit vak parkeren?
1. Stoppen. Op technisch juiste wijze aan de rechterzijde van de rijbaan, tenminste 2 vakken voor het doelvak.
2. Kijken vóór het oprijden. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW).
3. Oprijden naar de uitgangspositie. Conform H.A. wegrijden na een stop buiten het verkeer.
4. Stoppen. Op technisch juiste wijze,minimaal ca. 1 meter vanaf het begin van de parkeer- vakken en ca. 3 vakken voorbij het doelvak. Op deze wijze kan de verrichting correct worden uitgevoerd (ook naast of tussen reeds geparkeerde auto(s)).
5. Kijken vóór het achteruitrijden. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW).
6. Achteruitrijden. Op technisch juiste wijze met slippende koppeling. Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden.
7. Kijken vóór het insturen. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. De voorkant van de auto gaat uitzwenken. Indien nodig kan nu nog tijdig gestopt worden.
8. Insturen. Naar rechts vlot. Bijv. als de B-stijl van de auto ca. 1,5 vak voor het doelvak is.
9. Kijken. Rondom de auto. De auto neemt nu de meeste plaats op de weg in. Blijf het overige verkeer controleren. Ook in het doelvak.
10. Terugsturen. Naar links als de auto bijna recht achteruit in het doelvak rijdt. Droogsturen voorkomen.Op deze wijze eindigt de recht in het doelvak.
11. Kijken. Rondom de auto.
12. Stoppen. Op technisch juiste wijze zodra de auto recht in het doelvak staat met de wielen in de rechtuit stand.

Terug naar boven.

Achteruit parkeren in een parkeervak links

WAT HOE WAAROM
Algemeen. Kan en mag ik in dit vak parkeren?
1. Stoppen. Op technisch juiste wijze aan de linkerzijde van de rijbaan, tenminste 2 vakken voor het doelvak.
2. Kijken vóór het oprijden. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW).
3. Oprijden naar de uitgangspositie. Conform H.A. wegrijden na een stop buiten het verkeer.
4. Stoppen. Op technisch juiste wijze,minimaal ca. 1 meter vanaf het begin van de parkeer- vakken en ca. 3 vakken voorbij het doelvak. Op deze wijze kan de verrichting correct worden uitgevoerd (ook naast of tussen reeds geparkeerde auto(s)).
5. Kijken vóór het achteruitrijden. Naar voren, binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, over de linkerschouder, rechter- buitenspiegel en over de rechterschouder. Controle of de verrichting zonder hinder of gevaar te veroorzaken uitgevoerd kan worden (art. 54 RW).
6. Achteruitrijden. Op technisch juiste wijze met slippende koppeling. Op deze wijze kan de snelheid goed geregeld en zo constant mogelijk gehouden worden.
7. Kijken vóór het insturen. Naar voren, binnenspiegel,rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. De voorkant van de auto gaat uitzwenken. Indien nodig kan nu nog tijdig gestopt worden.
8. Insturen. Naar links vlot. Bijv. als de B-stijl van de auto ca. 1,5 vak voor het doelvak is.
9. Kijken. Rondom de auto. De auto neemt nu de meeste plaats op de weg in. Blijf het overige verkeer controleren. Ook in het doelvak.
10. Terugsturen. Naar rechts als de auto bijna recht achteruit in het doelvak rijdt. Droogsturen voorkomen.Op deze wijze eindigt de recht in het doelvak.
11. Kijken. Rondom de auto.
12. Stoppen. Op technisch juiste wijze zodra de auto recht in het doelvak staat met de wielen in de rechtuit stand.

Terug naar boven.

wegrijden uit een parkeervak

WAT HOE WAAROM
1. Kijken. Links, voor en rechts. Controleer of je weg kunt rijden. Probeer ook door ruiten van auto’s heen te kijken, dan weet je nog eerder of het vrij is.
2. Richting aangeven. Naar links/rechts.
3. Wegrijden. Stapvoets uit het vak rijden.
4. Kijken. Links, voor en rechts. Nacontrole voor je de rijbaan oprijdt.
5. Insturen. Naar links/rechts. Bijv. Als spiegel gelijk is met de voor/achterzijde van de auto waar je naast staat. Nooit direct beginnen testuren i.v.m. het inlopen van de achterzijde van de auto.
6. Terugsturen. Als de auto bijna recht is. Op tijd sturen voorkomt slingerend weggedrag.
7. Kijken. Binnenspiegel en buiten-spiegels). Controleer of je je snelheid aan kunt passen.
8. Snelheid aanpassen. Aan het overig verkeer.